
Zeven zonen had vader.
Een wist alles beter,
dat was degene die Anders heette.
Allen speelden buiten.
Eentje zong balladen,
een speelde doedel,
een deed niks dan fluiten.
Maar Anders die anders heette
was niet te stuiten.
Op een steen lag zijn trom, vergeten,
want Anders was op karwei.
‘Ach, jij lieve
onrustigerd,
jij verveelt je
in de luwte, in onze
kalme lustige vallei.
Laat ons erbuiten,
geen flierefluiter telt duiten.
Anders moet zonodig op karwei.’
© Judy Elfferich