
Op een najaarsdag in mei
werd de Hutselbast geboren
uit een versgebakken ei
van het haantje van de toren.
Hij geloofde, net ontpopt,
amper wat zijn oren zagen.
‘Waaro is mijn neus verstopt?’
hoorde men hem jolig klagen.
‘Kijk nou toch mijn kale haar!
Hoe krijg ik mijn bast onthutseld?
Welke knappe stuntelaar
heeft mij in elkaar geknutseld?’
En hij wuifde met zijn voet,
warmde zich aan manestralen
en vertrok met slome spoed
om zijn schouders op te halen.
Bij het krieken van de nacht
is hij door het zand gezwommen,
in zijn poedelnaakte vacht
heeft hij elke kuil beklommen.
Toen een luchtbel hem bedolf
hoorde hij hyena’s huilen;
ginder lachte luid een wolf
en de zon begon te druilen.
Met de kolder in zijn kont,
op het open dek verborgen,
voer hij weg over de Sont
met de boot van overmorgen.
© Judy Elfferich