
Het tafellaken van damast.
De porseleinen borden.
Het zilveren bestek.
De mooiste glazen uit de kast.
En de antieke kandelaar.
Klaar, de feesttafel gedekt;
schenk wijn in en draag schalen aan,
er kan gegeten worden.
Oom Jan zegt: ‘Wacht es, één seconde,
want anders wordt het kleed vies, zonde!’
Hij grijpt het tafellaken vast
en trekt het in één ruk,
zwoesj! onder het servies vandaan.
‘Zo’, zegt hij. ‘Jongens, eten maar.
Ik heb wel trek, en dorst!’
En wij, we kijken naar elkaar:
geen glas of schotel stuk,
niks omgegaan en niks gemorst,
hoe speelde hij dat klaar?
© Judy Elfferich