
Wadend zoek je je een weg door
doorgelopen waterverf.
Schimmen zwemmen, spoken zweven,
spreekballonnen vliegen rond,
overal zijn wazigheden
en het wazigst is de grond:
die lijkt wel compleet verdwenen.
Vossen glippen langs je benen,
vissen vallen uit de lucht,
slakken likken aan je tenen
en je struikelt door de struiken
en je ruikt de wildste rozen,
hoort lantarenpalen praten
en je zegt beleefd pardon
als je botst tegen een boom.
’t Is geen trip en ’t is geen droom;
dit is wat je kunt beleven
door je lenzen uit te laten
of (een tip voor niet-bijzienden)
even iemands bril te lenen.
© Judy Elfferich
.

Dit gedicht staat in DICHTER. 37, ‘Op avontuur’.